Open haard

Afgelopen weekend spendeerde ik tijd in mijn meest geliefde zuidelijke stad met haar geweldige inwoners. De beste mensen daar spreken er ook nog eens bijna dezelfde taal. Nee, ik heb het niet over de bewoners in het land van Geert Wilders. Waarom bestaat het eigenlijk nog? Maak er een soort dwergstaat van, weet ik het. Laten we eerlijk zijn, je verstaat ze toch niet door hun collectieve onvermogen om de ‘’g’’ normaal uit te spreken. Het enige goede dat uit die overbodige collectie van heuvels komt is de vlaai. Vlaai maken ze als de beste.

Maar als ik het niet over de allochtoon vrezende hypocrieten heb, die zelf pas 152 jaar bij Nederland horen, dan heb ik het natuurlijk over de Belgen. Wat houd ik toch van ze! Het Vlaams klinkt alsof je favoriete oom je verhalen over vroeger verteld. Knus bij de open haard onder het genot van een warm drankje naar keuze. Al je eigen sores verdwijnt gelijktijdig met de houtblokken die in de vlammen opgaan, totdat er niks meer van hun vorm over is en alleen de as resteert. En dat alleen maar door woorden. De geruststellende herkenning van je eigen taal in een ander land voelt als een warme deken. Heerlijk. Behalve voor mijn moeder dan. 

We besloten een weekend in Gent door te brengen. Ze was jarig, je moet wat. Van te voren lichtte ik het hotel in dat we de representatie van vergankelijkheid in ons gezelschap hadden. We werden hartelijk begroet door de sympathieke receptionist van het hotel. De man had donker haar en een diepe stem waardoor je in gedachten meteen al naast het knisperende haardvuur zat. Vrolijk, met zijn toch wel afleidende unibrow, vroeg hij aan ons; ‘’Welnu, wie van jullie verjaard er dan wel?’’. Paniekerig keek de schuldige van mijn bestaan me aan. ‘’Mijn moeder is jarig’’ vertelde ik aan de wenkbrauw. ‘’Ach wat gezellig is dat toch!’’ zei hij. Ik knikte instemmend. 

Voor de jarige was het minder plezierig. Die kreeg niks mee van het hele gesprek. En maar claimen dat er met haar gehoor niks mis is. Ze keek de Vlaming aan alsof hij haar met zijn stem teleporteerde naar de toendra’s in Rusland. Dat terwijl ik al weg zwijmelend de open haard met de restanten van mijn zorgen schoonmaakte en de ontspanning exponentieel voelde toenemen. Want dat doet het Vlaams. Het maakt niet uit wat er gezegd wordt, het heeft een magische uitwerking. Als je tenminste niks aan je oren mankeert. 

 

Ik schreef deze column op 21 januari 2019. Destijds volgde ik nog de cursus columns schrijven bij CREA Amsterdam. Ik kreeg de feedback dat het te hard was, het stuk over Limburgers. Die week ervoor boorde een mannelijke klasgenoot een groep Brabanders compleet de grond in. Het was grof en hard. Hij kreeg als feedback dat het zo ”heerlijk onderkoelde humor” was. Wat dat precies inhoudt moet je niet aan mij vragen overigens. Maar het komt er op neer dat een man wel hard en grof over iets mag schrijven, maar een vrouw niet. Als vrouw krijg je direct commentaar. Het heeft ervoor gezorgd dat ik deze column niet durfde te plaatsen. Tot nu.
Een kleine disclaimer, ik heb geen hekel aan Limburgers (met uitzondering van een paar), ik wil niet generaliseren of beledigen. Ik heb een grap gemaakt op basis van (historische) feiten. Ik heb geleerd in de cursus dat je de grenzen op mag zoeken. Nu was ik al naar België geweest, dus bij deze ook maar de figuurlijke grens opgezocht. Grenzen opzoeken mag, als je een man bent tenminste. Als vrouw moet je het altijd aardig en neutraal houden. En ik weiger me daaraan te conformeren.